woensdag 9 juli 2014

Vakantie

Tijdens het eten klets ik met een kind (3,5) over zijn vakantie. 
Ik vraag: "Mag ik met je mee op vakantie?"
Kind: "Nee."
Ik: "Waarom niet?"
Kind: "Omdat ik rust wil..."

Nou, het zal je maar gezegd worden... Voor de meeste ouders is vakantie inderdaad 'even rust'. Voor de meeste kinderen daarentegen betekent vakantie: heerlijk non-stop spelen! Hoe verenig je die verlangens? En wat betekent 'even rust' eigenlijk voor papa en mama? Waar heb jij behoefte aan in de vakantie? Waar heeft je kind behoefte aan in de vakantie? En dan is er nog die lange reis als je op vakantie gaat. Hoe doe je dat eigenlijk, een hele dag met je jonge kind in de auto?
Hieronder lees je alles over vakantie vieren en op vakantie gaan!

Vakantie, en nu?
Hoera! Vakantie! Heerlijk even een paar weken lang helemaal niks! Én een paar weken lang alle tijd voor je kind(eren). Fijn en leuk, maar soms ook moeilijk te verenigen met je behoefte aan uitrusten van een (drukke) werkperiode. Wat kan je verwachten van je kind in de vakantie? En hoe zorg je ervoor dat je ook aan je rust komt?
Voor een jong kind dat gewend is om meerdere dagen per week naar oppas of kinderdagverblijf te gaan, is de vakantie ineens een grote verandering in zijn wekelijkse ritme. De meeste kinderen vinden het heerlijk om lekker samen met papa en mama alle tijd te hebben. Maar, ze zullen wel even moeten wennen aan het feit dat ze nu even niet naar de juf en de andere kindjes gaan. Soms ook een kleine teleurstelling voor je kind. Misschien is je kind de eerste paar vakantie-dagen wat opstandiger of juist wat aanhankelijker. Probeer dit gedrag te begrijpen en probeer vooral duidelijk te maken aan je kind dat hij nu vakantie heeft en wat vakantie betekent.
Het voorbereidende werk kun je al eerder doen. Vertel je kind wanneer hij de laatste dag voor de vakantie naar het kinderdagverblijf of de oppas gaat. Wellicht wordt daar ook het thema vakantie wel besproken. Schenk bij het ophalen van je kind op deze laatste dag net iets meer aandacht aan het afscheid nemen. Probeer in woorden die je kind begrijpt uit te leggen dat hij de andere kindjes en de juf even een tijdje niet ziet.
Probeer daarnaast in de eerste dagen thuis het normale dagelijkse ritme nog een beetje vast te houden. Zeker voor de hele jonge kinderen (0-2 jaar) is dit ritme heel erg belangrijk. Natuurlijk vervaagt het gewone, dagelijkse ritme wat in de vakantie. Dat is helemaal niet erg. Maar, maak de overgang niet te abrupt voor je kind.
Bespreek het thema vakantie met je kind. Wat gaan jullie doen? Gaan jullie op vakantie? Waar gaan jullie dan heen? Hoe gaan jullie daarheen? Met wie gaan jullie op vakantie? Blijven jullie thuis? Wat gaan jullie dan doen? Wordt er nog een bezoek gebracht aan opa en oma misschien?
Over al deze vragen kun je met je dreumes/peuter communiceren op een manier die bij zijn leeftijd past. Maak een mooie tekening over de vakantie, lees een boekje over op vakantie gaan, pak samen de koffer in, enz.
Je kind zal verder enorm genieten van jouw aanwezigheid tijdens de vakantie. Hij zal veel met je willen ondernemen. Probeer zelf ook vooral te genieten van het spelen met je kind zonder tijdsdruk en het gevoel nog van alles te 'moeten'. Je zult merken dat dit ook enorme ontspanning kan brengen!
Daarnaast betekent voor de meeste ouders vakantie ook een tijd van samen zijn. Onderneem als gezin leuke activiteiten en geniet vooral van lange middagen samen in de tuin. Wissel de 'ouderverantwoordelijkheid' af, zodat jullie allebei ook de tijd voor jezelf kunnen nemen. Een dagje alleen met mama of alleen met papa is voor je kind vaak ook een feestje!

Weggaan of thuisblijven?
De keus of je met je jonge kind(eren) op vakantie gaat of thuis blijft, is helemaal aan jou natuurlijk! Voor sommige mensen kan thuis blijven extra ontspannend zijn. Er hoeven geen koffers gepakt, je kind blijft gewoon in zijn natuurlijke omgeving, je hoeft niet moeilijk te doen op de camping met campingbedjes en commodes, enz. Voor anderen is thuis blijven echter helemaal niet zo ontspannend. Ze hebben het gevoel dat er nog steeds van alles 'moet'; de was, koken, boodschappen...
Denk vooral na over waar jou/jullie behoefte ligt. Je kind heeft in de vakantie het meest aan een ontspannen ouder die er voor hem is.

Besluit je om thuis te blijven?
Denk dan na over hoe je je vakantie inricht. Ga je dagjes weg of misschien nog een paar dagen naar opa en oma? Plan de activiteiten niet allemaal achter elkaar, maar spreid ze uit over de vrije weken. Begin ook vooral rustig. Laat je kind (en jezelf!) even wennen aan het feit dat het nu vakantie is. Maak ook vooral gebruik van de 'quality time' die jullie als gezin samen hebben. Maar, zorg er ook voor dat je in je eigen behoeften van vakantie voorziet. Wil je een dagje alleen naar de sauna? Ga vooral! Willen jullie samen een nachtje naar een hotel? Ook doen! De meeste opa's en oma's/ ooms en tantes passen met heel veel plezier op!
Om de vakantie voor je kind overzichtelijk te maken als je thuis blijft, kan het heel leuk zijn om een poster te maken van alle activiteiten die je onderneemt. Pak een groot vel papier en maak daar een tijdlijn op. Activiteiten die je al hebt ingepland kun je daarop aangeven. Laat genoeg ruimte over om achteraf de activiteit kleur te geven; plak er een foto bij of een ander aandenken of laat je kind een mooie tekening maken van de dag op de poster. Aan het eind van de vakantie heeft je kind zo een prachtig aandenken én kan hij bovendien super goed aan iedereen vertellen wat hij heeft gedaan.

Besluit je weg te gaan?
Als je besluit weg te gaan, vergt de reis vaak de meeste inspanning. Op vakantie gaan, hoeft trouwens niet altijd ver weg te zijn. Ook weggaan in eigen land, voelt vaak al als 'even helemaal eruit'.
Het kan fijn zijn voor je kind als hij weet wat er gaat komen. Een goede voorbereiding is het halve werk! Praat met je kind over waar jullie naartoe gaan. Laat het zien op een kaart of wereldbol, laat foto's zien van de camping of het hotel, plaatjes van het land en de plaats waar jullie heen gaan. Lees een boekje over op vakantie gaan en pak samen de koffer van je kind in.
Moet je lang in de auto zitten of ga je met het vliegtuig? Bereid je kind ook hierop voor. Leg uit wat er gaat gebeuren en waarom hij zo lang stil moet zitten. In een vliegtuig kun je af en toe wel even heen en weer lopen met je kind, doe dit ook vooral! Als je met de auto gaat, zorg er dan voor dat je regelmatig even stopt. Laat je kind dan lekker even rennen, ga even voetballen, iets actiefs.
Tijdens het rijden, is het voor de meeste kinderen fijn als ze wat afleiding hebben. Als je met een baby een lang stuk gaat rijden, geef dan niet al het speelgoed in één keer, maar wissel af. Met vijf speeltjes die je rouleert, kom je een heel eind. Verzin daarnaast een veilige manier (vb een spenenkoort) om het speelgoedje vast te kunnen maken aan de maxi-cosi of het autozitje. Zo kan je baby het zelf weer pakken als het valt.
Zorg bij een baby ook voor regelmatig contact met een van de ouders. Je kan ervoor kiezen om naast je baby achterin te gaan zitten, maar af en toe even omdraaien en je baby aandacht geven, is ook voldoende.
Dreumesen en peuters verwachten vaak wat meer uitdaging in het speelgoed dat ze wordt aangeboden. Zorg dat je voldoende bij je hebt en dat je kunt afwisselen. Portable dvd-speler, boekjes, puzzelboekjes, kleurboek, spelletjes op je tablet. En vergeet daarnaast ook niet dat er heel veel leuke spelletjes zijn die je onderweg kunt doen. Denk aan het tellen van alle rode auto's of alle volvo's of 'ik zie, ik zie, wat jij niet ziet'. En maak je kind bewust van zijn omgeving. Wat zie je allemaal als je uit het raam kijkt? Bergen? Water? Bomen? Wat is anders dan in Nederland?
Eenmaal op de plek van bestemming, gelden eigenlijk dezelfde tips als bij het thuisblijven: plan niet alles achter elkaar, geniet van de tijd samen en vergeet ook vooral je eigen behoeftes niet!
Slapen op een andere plek kan voor je kind nog wel eens lastig zijn. Probeer, ook op vakantie, je kind gewoon in zijn eigen bed te laten slapen en niet bij jullie in bed.

'Ik ga op vakantie en ik neem mee...'
Aan luiers, pleisters, rompertjes en toetenpoetsers denk je wel. Maar, heb je ook aan de volgende dingen gedacht?
- meeneem toiletverkleiner en/of potje (handig voor onderweg, maar ook voor op de camping of in het hotel)
- luiers, ook als je kind al zindelijk is
- veel water (niet alleen handig om te drinken, maar ook om handjes en gezicht of kleding te wassen)
- klein beetje wasmiddel voor onderweg (ohjee, doorgelekt! met een beetje wasmiddel voorkom je een vieze lucht de rest van de rit)
- extra rompertjes en een setje extra kleding op een plek waar je makkelijk bij kan
- een lijstje met activiteiten voor in de auto
- raamstickers voor in de auto
- zonnebril/petje voor je kind
- hydrofiele luiers (om multifunctioneel te gebruiken; om zon tegen te houden in de auto, om op te spelen als je even stopt, als dekentje om onder te slapen of zelfs als luier in geval van nood)
- klein en licht speelgoed: bellenblaas, ballonnen, opblaasbal
- in de EHBO-doos: alcoholdoekjes om te ontsmetten (zijn vaak per stuk verpakt, dus handig mee te nemen) en een potje aloë vera creme (te koop bij 'de tuinen' en goed voor alles: zonnebrand, uitslag, blauwe plek, enz)
- tape (om stopcontacten af te plakken)
- iets waar gegevens van jou opstaan dat je kind bij zich kan dragen (veilige ketting, sticker, button)
- vaccinatieboekje van je kind
- plastic zak voor afval (en voor het eventuele overgeven...)
- babyfoon
- slaapzakje van je kind

En als je dan zo goed bent voorbereid, hoef je alleen nog maar te genieten! Fijne vakantie!

Wil je dat ik een keer bij jou thuis kom om je hierbij te coachen? Dat kan! Kijk op www.parentingcompany.nl!

woensdag 4 juni 2014

Zeuren

Kind (4) in auto tegen vader: "Hoe lang nog?"
Vader: "Nog 200 kilometer."
Na een minuut, vraagt het kind: "En nu?"
Vader: "Nog 198 kilometer."
Na weer een minuut, vraagt het kind opnieuw: "En nu?"
Vader: "Nog 195 kilometer."
Nog een minuut later, vraagt het kind: "En nu?"
Dan zegt de vader: "Nog 300 kilometer."
Het kind kijkt verbaasd naar de vader: "En net was het nog 195!"
Vader: "Ja, maar als je zo blijft zeuren, duurt het veel langer."

Soms heb je wel eens helemaal genoeg van een zeurend kind. Kinderen die maar dezelfde vragen blijven stellen of kinderen die maar blijven zeuren om nog een koekje. Op het moment zelf lijkt het soms het makkelijkst om je kind maar gewoon zijn zin te geven. Dan ben je eindelijk van het gezeur af. En morgen zie je wel weer opnieuw. Maar ja, soms duurt iets nou eenmaal even en soms kan je nou eenmaal niet alle koekjes uit de supermarkt in je wagentje leggen. Wat dan?

Zeuren, wat is dat eigenlijk?
Wanneer vind je dat een kind zeurt? Wanneer vind je dat jouw kind zeurt? Vandaag nog hoorde ik een moeder zeggen over het twee-jarige zoontje van een vriendin: "Ik vind een uur lang vragen om iets waarop ik al drie keer 'nee' heb gezegd, zeuren." De moeder van het kind vond dit geen zeuren en liet het gedrag van haar zoontje toe.
Een precieze definitie van zeuren bestaat niet. Ten minste, het woordenboek heeft er uiteraard wel eentje ('langdurig aanhouden om de zin te krijgen'), maar wat jij zeuren vindt, daar gaat het om!
Net als met al het onwenselijke gedrag, bepaal jij wat je onwenselijk vindt en wat je wilt afleren.
Een belangrijk onderscheidt moet hier wel gemaakt worden tussen 'zeuren' en 'een kind de zin geven'. Zoals de definitie uit het woordenboek al zegt, heeft zeuren meestal tot doel om de zin te krijgen. Een kind zijn zin geven terwijl jij daar niet achter staat, is wat mij betreft nooit goed. Niet om zeuren te voorkomen en ook niet om het zeuren te stoppen. 'De zin willen hebben' kan dan op zichzelf als ongewenst gedrag worden beschouwd. Het middel om de zin te krijgen, namelijk het 'zeuren' is op zichzelf ook ongewenst gedrag. Hier gaat deze post verder op in.
Zoals gezegd, bepaal jij de definitie van zeuren. Toch wil ik hier wel het een en ander meegeven, bij het bepalen van de 'zeurgrens'.
Ten eerste, sommige ouders beschouwen een kind die veel vragen stelt al als een 'zeurpiet'. Waarom is de lucht blauw? Hoe zwaar is de wereld? Wat eten we vanavond? Hoe laat komt papa thuis? Waarom moet ik naar zwemles? Mag ik een koekje? Waar komen baby's vandaan? Soms vraagt een kind je de hele dag door de oren van het hoofd over van alles en nog wat. Steeds geduldig antwoord geven op al deze vragen (waarop het antwoord soms ook nog best ingewikkeld is), is lastig. En het is heel begrijpelijk dat je aan het eind van zo'n dag deze vragenstroom even zat bent en je kind het moet bekopen met een 'daarom' of 'dat leg ik je nog wel eens uit'. Vraag jezelf in zo'n situatie af: 'Vind ik dit zeuren?' en dus: 'Vind ik dit ongewenst gedrag?' Is het antwoord 'ja' dan kun je dit gedrag afleren (hoe, lees je hieronder). Is het antwoord 'nee' probeer je kind dan uit te leggen dat je snapt dat hij alles wil weten, maar dat jij nu even geen tijd hebt om uitgebreid op zijn vragen in te gaan. Stel een alternatief voor, een moment waarop je wel tijd hebt of verwijs je kind naar de andere ouder of een oudere broer of zus.
Probeer je daarnaast te beseffen dat kinderen nieuwsgierig zijn en dat nieuwsgierigheid geen verkeerde eigenschap is en dus ook niet als ongewenst gedrag dient te worden gezien. De manier waarop een kind die nieuwsgierigheid uit, kan door jou wel als ongewenst gedrag worden beschouwd, maar wees voorzichtig in het benaderen hiervan. Je wilt niet dat je kind niks meer durft te vragen.
Ten tweede, kinderen, en vooral jonge kinderen, testen grenzen uit. Zeuren is een manier om jouw grens te testen. Wat moet ik doen om mijn zin te krijgen? Hoe lang moet ik vragen om een koekje totdat ik het krijg? Veel kinderen zullen hier niet zo heel bewust mee bezig zijn, maar onbewust zeker wel. Jonge kinderen zijn, hoe vervelend dit wellicht klinkt, kleine egoïstjes. Ze zijn vooral bezig met zichzelf en het vervullen van hun eigen behoeften. Dit maakt ze soms ongelooflijk volhardend in het krijgen van hun zin met lang zeuren tot gevolg. Wat ik hier vooral mee wil zeggen, is: probeer dit te begrijpen. Kinderen zeuren niet bewust om jou te pesten (jonge kinderen doen nooit iets om jou te pesten), maar kinderen zeuren omdat ze hun zin willen én omdat ze in het verleden waarschijnlijk hebben geleerd (of gezien bij anderen) dat zeuren werkt.
Hoe je een einde kan maken aan het zeuren van je kind, lees je hieronder.

Straffen en belonen: de box van Skinner
Vind jij dat je kind zeurt en vind je dit ongewenst? Beloon dan vooral het zeuren niet! De beste manier om ongewenst gedrag af te leren, is het gedrag te negeren. Vraagt je kind om een koekje en is jouw antwoord 'nee', dan zou dit genoeg moeten zijn. Blijft je kind vragen om een koekje? Bepaal jouw grens. Wanneer vind jij het zeuren? Je kunt je antwoord nog eens herhalen en je kind uitleggen dat blijven vragen niet het gewenste resultaat oplevert. Straffen in deze situatie ben ik niet voor. Een kind straf geven (bijvoorbeeld even apart zetten), is ook een vorm van aandacht geven en in die zin soms ook een soort beloning. Daarom is het beter ongewenst gedrag te negeren. Als je kind blijft vragen om het koekje en jij negeert je kind, is de lol er snel af.
Eén voorwaarde is hier wel op van toepassing: wees consequent. Consequent zijn is in de opvoeding regelmatig van groot belang. Jonge kinderen hebben behoefte aan duidelijkheid. 'Nee' is 'nee' en 'ja' is 'ja'. Dat was gisteren zo, dat is vandaag zo en dat zal morgen ook zo zijn.
Als we ongewenst gedrag, in dit geval zeuren, willen afleren, is consequent zijn van een nog groter belang. Af en toe toegeven is zelfs nog erger dan altijd toegeven. Dat wordt duidelijk in het voorbeeld hieronder dat het experiment van Skinner beschrijft over conditionering.

De box van Skinner


Nadat Pavlov de conditionering had ontdekt met zijn beroemde hond, bedacht Skinner een experiment om de conditionering verder te testen.
Hij bouwde een box waar een klein dier in paste. In de box zat een hendeltje en een voedseldispenser. Een rat werd in de box gezet. Als de rat per ongeluk op de hendel drukte, kwam er eten uit de dispenser, een beloning voor de rat.

Nu wilde Skinner weten hoe deze beloning het gedrag van de rat zou beïnvloeden. Zou de rat onthouden dat op de hendel drukken, hem eten verschafte en dus opnieuw op de hendel drukken als hij in de box werd gezet? Dit bleek het geval, de rat leerde dat hij beloond werd met eten voor zijn gedrag.


Skinner ging verder met zijn experiment. Hij hard nu drie boxen en drie ratten. Alle drie de ratten waren eerder  ‘geconditioneerd’ in de box. Ze wisten dus dat op de hendel drukken, hen eten verschafte.
In de eerste box bleef dit ook zo voor de rat. Zodra de rat honger had, drukte hij op de hendel en kreeg hij eten.
In de tweede box kreeg de rat geen eten meer als hij op de hendel drukte.
In de derde box kreeg de rat soms eten bij het drukken op de hendel, maar vaak ook niet.


Het opvallende was, dat de rat in de eerste box, regelmatig op de hendel drukte. Hij werd gelijk beloond en stopte dan.
In de tweede box bleef de rat gedurende enige tijd op de hendel drukken, maar kreeg uiteindelijk in de gaten dat zijn gedrag geen zin had, hij stopte en keek niet meer naar de hendel om.

In de derde box bleek de rat ongelooflijk volhardend. De rat bleef als een gek op de hendel drukken, omdat hij geen idee had wanneer hij eten zou krijgen.


Wat leert Skinner ons?
Wat vertelt dit experiment ons? De eerste rat in het experiment kunnen we vergelijken met een kind die altijd zijn zin krijgt. Hij vraagt ergens om (de rat drukt op de hendel) en krijgt dit ook (de rat krijgt eten). Dit kind zal niet veel zeuren ( de rat drukt niet niet continue op de hendel), dit is immers niet nodig.
De tweede rat in het experiment kunnen we vergelijken met een kind die nooit zijn zin krijgt. Als hij iets vraagt (de rat drukt op de hendel), krijgt hij het niet (de rat krijgt geen eten). Hij zal in het begin misschien nog wel eens zeuren (de rat drukt herhaaldelijk op de hendel), maar uiteindelijk zal hij leren dat zeuren geen zin heeft (de rat krijgt geen eten, wat hij ook doet).
De derde rat kunnen we vergelijken met een kind die soms zijn zin krijgt en soms niet. Als hij iets vraagt (de rat drukt op de hendel) krijgt hij vaak zijn zin niet (de rat krijgt geen eten), maar als hij blijft zeuren, krijgt hij soms wel zijn zin (de rat krijgt soms wél eten als hij op de hendel drukt). Dit zorgt ervoor dat het kind urenlang kan blijven zeuren, want hij heeft geleerd dat hij soms wel beloond wordt. Aangezien hij niet weet wanneer dit wel en wanneer dit niet geval is, loont het de moeite om het steeds maar weer te proberen.
In het voorbeeld zien we dat rat 3 die soms beloond wordt voor zijn gedrag, niet meer ophoudt met vragen om eten. Precies ditzelfde gebeurt er bij kinderen die soms wel beloond worden voor hun zeur-gedrag en soms niet. Ze blijven volhouden, want wie weet krijgen ze hun zin.
Wat moeten we dan wél doen?
Zeuren belonen we niet, maar zeuren negeren we. Altijd, bij elke opvoeder. Geef niet alleen een 'nee', maar leg ook uit. Als je kind niet begrijpt waarom hij om 17.00u geen koekje mag, is de kans groter dat hij toch blijft zeuren. Leg één keer duidelijk uit dat hij bijna gaat eten en dat nu nog een koekje eten ervoor zorgt dat hij straks zijn eten niet opkan, omdat hij dan al vol zit. Vertel je kind eventueel ook wanneer hij wel een koekje mag. Hebben jullie de afspraak dat er elke dag om 15.00u thee en een koekje genuttigd wordt? Herinner je kind daaraan en vertel hem dat hij morgen om 15.00u weer een koekje krijgt, net als gisteren en net als vandaag.
Blijft je kind zeuren? Dan is negeren de beste oplossing. Ga verder met waar je mee bezig was en geef je kind pas weer aandacht als het zeuren is gestopt.
Mocht het te erg uit de hand lopen en je kind gaat ander ongewenst gedrag vertonen wat voor hemzelf of zijn omgeving gevaar kan opleveren (agressief gedrag bijvoorbeeld), haal hem dan uit de situatie, zet hem apart en vertel hem waarom je zijn gedrag afkeurt. Houdt de methode van de naughty chair juist aan.
Beloon daarnaast ook vooral gewenst gedrag. Vraagt je kind netjes om een koekje? Beloon je kind dan door te zeggen dat je vindt dat hij dat heel netjes gevraagd heeft. Mocht je het moment passend vinden om ook een koekje te geven, geef je die. Mocht je het moment niet passend vinden, leg dan uit zoals hierboven beschreven dat je kind nu geen koekje krijgt.
Laat je kind ook aan het eind van de dag weten dat je heel trots op hem bent, omdat hij vandaag niet gezeurd heeft om een koekje. Een beloningssysteem in de vorm van stickers, is erg lastig als het gaat om gedrag wat je niet wilt zien. 'Niet zeuren' is in dit geval gewenst gedrag, maar hier is geen positieve formulering voor. Iets 'niet' doen is moeilijk te concreet te belonen, omdat je kind zo veel 'niet' doet. 'Netjes vragen' lijkt er misschien op, maar als je je kind steeds zijn geeft als hij iets netjes vraagt, loop je het risico dat je hij 20 keer per dag heel netjes om een koekje vraagt. Beloon daarom in woorden (zoals hierboven), maar blijf zelf bepalen wanneer je kind zijn zin krijgt en wanneer niet.
Zodra je vindt dat je kind zeurt, beloon dan nooit, maar negeer hem.

En onthoud: de aanhouder wint! (zorg er dus vooral voor dat jij de aanhouder bent en je kind niet)

Wil je dat ik een keer bij jou thuis kom om je hierbij te coachen? Dat kan! Kijk op www.parentingcompany.nl!

dinsdag 8 april 2014

De week van het jonge kind: 6-12 april 2014

Early years are learning years!

De week van het jonge kind is voor iedereen die betrokken is bij het jonge kind. In deze week willen de initiatiefnemers aandacht vragen voor de belangrijke eerste levensjaren van een kind. Ouders kunnen deze week in gesprek gaan met iedereen die betrokken is bij de opvoeding van hun jonge kind.

Het thema van de week van het jonge kind is dit jaar: 'Early years are learning years'. Een thema dat uiteraard perfect aansluit bij het gedachtegoed van deze blog. De eerste jaren van een kind zijn ontzettend belangrijk. De jaren waarin een kind het meeste leert.
Ook ik nodig iedereen uit om deze week de dialoog aan te gaan met hen die betrokken zijn bij de opvoeding van jouw jonge kind. Bespreek wat voor jou belangrijk is en wat jij je kind wil leren.
Opvoeden doe je samen!

Wil je meer weten over de week van het jonge kind? En wil je weten welke activiteiten er georganiseerd worden bij jou in de buurt? Kijk dan op de site: www.weekvanhetjongekind.nl!

donderdag 3 april 2014

Opvoeden tot zelfstandigheid: zelf doen!

Kind (2) helpt mij met het opvouwen van de was. Hij pakt een hele grote theedoek en probeert deze op te vouwen. Na een tijdje proberen zegt hij: "Ik kan dit niet, ik ben veel te klein!"

In tegenstelling tot het mooie voorbeeld hierboven, denken de meeste jonge kinderen vanaf een jaar of 2 dat ze nergens te klein voor zijn! Ze willen alles zelf proberen en zelf doen. Ook dingen die eigenlijk nog een beetje te moeilijk zijn. Dit levert zo nu en dan de nodige frustratie op, maar vaak ook veel trots bij zowel kind als ouder. En hoewel kinderen soms meer willen dan ze kunnen, is het voor ouders belangrijk om te beseffen dat kinderen meer kunnen dan je vaak denkt!

Voordoen, samen doen, alleen doen, zelf doen
Voordat een kind iets alleen en zelf kan, kijkt hij het eerst af van jou. Dit gebeurt bij de 'dagelijkse' dingen als leren lopen en praten, maar ook bij de moeilijkere klussen als je rits dicht doen en je schoenen aantrekken.
Als een kind de kunst heeft afgekeken, zal hij gaan proberen om het zelf te gaan doen. Natuurlijk lukt dit nog niet gelijk de eerste keer en daarom help je hem. Van voordoen aan je kind, ga je naar samen doen met je kind. Lopen gaat nog niet alleen, maar wel aan de hand(en) van papa of mama. Na een tijdje samen doen en steeds een beetje minder helpen, gaan we over naar alleen doen. De eerste stapjes kunnen worden gezet zonder dat papa of mama helpt. We blijven in de buurt en vangen op, maar de weg naar zelfstandigheid is ingeslagen! Na een tijdje alleen doen met hulp op afstand is de tijd van helemaal zelf doen aangebroken. Je kind kan lopen en we kunnen hem met een gerust hart zelfstandig laten ontdekken.
Alle vaardigheden die een kind zich eigen maakt, doorlopen deze fasen. Soms ben je hier bewust mee bezig, zoals in het voorbeeld over leren lopen. Op andere momenten echter ben je je hier misschien minder van bewust. Probeer je te realiseren dat jij al vanaf een heel vroeg stadium voorbeeld bent voor je kind. Zoals jij het doet, zo zal je kind het in eerste instantie ook proberen.
Bij het samen doen, is het goed om erop te letten dat je een balans vindt tussen helpen en het je kind laten doen. Sommige kinderen zijn geneigd om snel op te geven: 'Ik kan het niet', 'Mama, wil jij dit tekenen, ik vind dat te moeilijk'. Natuurlijk help je je kind waar nodig, maar probeer ook vooral je kind te stimuleren om dingen wél te doen en zo nieuwe vaardigheden te leren. Stel voor om iets samen te doen, in plaats van het over te nemen van je kind. Geef je kind complimenten als iets lukt en spreek ook vooral jouw vertrouwen in je kind uit: 'Ik denk dat jij dat heel goed kan!'
Het verschil in wat je kind zelfstandig kan en wat hij kan met hulp van jou als opvoeder, wordt vaak de 'zone van naaste ontwikkeling' genoemd. Door gericht activiteiten aan te bieden die in de zone van naaste ontwikkeling liggen (dus dingen die je kind niet alleen, maar met een beetje of iets meer hulp van jou wel kan) stimuleer je de vaardigheden van je kind én bouwt je kind bovendien zelfvertrouwen op.
Wel is het hierbij belangrijk om goed naar het ontwikkelingsniveau van je kind te kijken. Elke ontwikkelingsfase kent zijn tijd, heel vroeg stimuleren heeft dan vaak geen zin en is enkel frustrerend voor jou en je kind. Als je weet dat je kind de puzzel met 6 stukjes goed alleen kan maken, maak dan samen een puzzel met 8 of 10 stukjes en niet gelijk eentje van 12 stukken.

Zelf doen: wat kan ik wel en wat kan ik niet?
Naast dat het voor jou uitzoeken is wat je kind alleen, wat hij met hulp van jou kan en wat hij nog niet kan, is dit net zo goed voor je kind een ontdekkingstocht. Soms zie je kinderen eindeloos de vaardigheid herhalen waarvan ze weten dat ze die goed kunnen. Laat dit vooral ook toe. Af en toe stimuleren tot het maken van een iets moeilijkere puzzel is prima, maar je kind haalt veel plezier uit het maken van de makkelijke puzzel. Het is nu eenmaal fijn om iets te doen waarvan je weet dat je dat kan. Dat geldt voor jou als ouder vast ook! Het ene kind zal meer willen ontdekken en willen leren dan het andere kind. Hierbij is een stimulerende omgeving van groot belang! Heeft je kind de mogelijkheid om een vaardigheid te oefenen die hij nog niet kan? Denk hierbij niet alleen aan moeilijke puzzels en een loopwagen, maar ook aan je kind dingen zelf laten doen. Laat je kind zelf zijn jas aan trekken, zijn knoop dicht maken en zijn banaan in stukjes snijden.
Probeer hierbij als ouders ook creatief te zijn. Een banaan snijden kan een kind van 2 prima met een veilig plastic mesje. En je jas aantrekken, is lang zo moeilijk niet, zoals je ziet in het plaatje hieronder.
Geef je kind de mogelijkheid om te doen waar hij goed in is, maar geef hem ook de mogelijkheid om nieuwe dingen te leren!
Zo kan je kind zelf ook ontdekken wat hij wel en wat hij niet kan. Hij kan om hulp leren vragen als iets nog niet alleen lukt en ontdekt hoe hij nieuwe dingen kan leren.


Copyright www.opgroeikaarten.nl

Zelf doen kost tijd
Iets nieuws leren, kost tijd. Iets zelf leren doen dus ook. Van tijd tot tijd wellicht ook erg frustrerend voor je kind. Hij wil zo graag zelf zijn broek open maken, maar het lukt hem gewoon nog niet. Het mooie is dat kinderen, zo lijkt het misschien niet altijd, een eindeloos geduld hebben. Kinderen raken wellicht snel gefrustreerd als iets niet lukt, maar een jong kind geeft vrijwel nooit op. Kinderen willen vooral heel graag zelfstandig zijn en dit is een enorme stimulans voor hen om te blijven proberen. Uiteraard is een belangrijke voetnoot hierbij dat dit een duidelijk cultuurgebonden kwestie is. In de Nederlandse (en veelal Westerse) cultuur voeden wij kinderen op tot zelfstandigheid. Op heel veel verschillende manieren komt de boodschap om zelfstandig te worden en dingen zelf te kunnen bij je kind terecht. Daarnaast worden kinderen vaak duidelijk beloond voor hun zelfstandigheid (denk bijvoorbeeld aan het enthousiasme van ouders bij de eerste stapjes of de eerste plas op de wc).
Maar, zelf doen kost ook tijd. Vaak ook net even wat meer tijd, of véél meer tijd, dan als jij het 'even snel' voor je kind doet. Dit maakt dat de verleiding van ouders en opvoeders vaak groot is om de boel over te nemen. Ook als je kind graag zelf zijn jas en schoenen wil aan doen, is het toch sneller als jij het even voor hem doet. Met mogelijk een opstandige driftbui van je kind tot gevolg.
Probeer je kind, ook nu weer, te begrijpen. Hij wil het graag zelf doen, omdat hij weet dat hij het kan of omdat hij het wil leren kunnen. Geef je kind die ruimte. Dat kost op dat moment misschien even iets meer tijd, maar levert je op de lange termijn juist tijd op! En natuurlijk, af en toe heb je haast en moet het 'even snel' dat kan en mag. Maar, probeer bij de dagelijkse dingen de extra tijd mee te calculeren. Wil je met je kind naar de supermarkt? Houd dan rekening met dat beetje extra voorbereidingstijd, zodat je kind rustig zelf zijn jas en schoenen aan kan doen.
Probeer ook de frustratie van je kind te snappen als iets na 100 keer proberen nog steeds niet lukt. Probeer samen naar een oplossing te zoeken. Je eigen schoenen aan doen als je veters hebt, is nu eenmaal lastiger dan als je klittenband hebt. Maak zo nodig een aanpassing hier en daar.

Zelf doen in een stimulerende omgeving
Hij was al even genoemd: de stimulerende omgeving. Dingen leren en vooral ook dingen willen leren, hebben een stimulerende omgeving nodig. Een kind die niet wordt uitgedaagd om dingen zelf te kunnen, zal hier veel minder behoefte aan hebben.
Een stimulerende omgeving bestaat grofweg uit twee facetten: stimulerend en uitdagend (spel)materiaal én stimulerende ouders. Het spelmateriaal is het misschien wel de makkelijkste van de twee. Zeker als je al een ouder kind hebt, heeft je jonge kind automatisch de beschikking over (spel)materiaal wat in zijn zone van naaste ontwikkeling ligt. Als er geen oudere broer of zus is, probeer hier dan als ouder op te letten. Zorg dat er een loopwagen is als je merkt dat je kindje wil gaan lopen, zorg voor uitdagend constructie-materiaal (blokken om mee te bouwen, duplo, lego, treinbaan, etc.) en koop ook wat boekjes en puzzels die nu nog net te moeilijk zijn voor je kind. Zorg er dan vervolgens ook voor dat dit materiaal op een plek ligt waar je kind er makkelijk bij kan. Laat je kind het materiaal zelf ontdekken en observeer wat hij ermee doet. Pakt hij de moeilijke puzzel uit de kast? Laat hem daar gerust mee spelen. Wellicht vraagt hij om hulp, geef die dan. Vraagt je kind niet om hulp, maar zie je wel dat de puzzel te moeilijk voor hem is? Bied dan aan om de puzzel samen te maken.
Naast stimulerend (spel)materiaal zijn stimulerende ouders ook erg belangrijk. Geef je kind vooral de ruimte en tijd om dingen zelf te leren doen. Vermijd gedachten/zinnen als: 'Die puzzel is te moeilijk voor jou', 'Dat kan jij niet' of 'Daar ben je te klein voor'. Grijp ook niet te snel in. Laat je kind rustig even rommelen met zijn rits voordat je het overneemt. Vraag bovendien: 'Zal ik je even helpen?' of 'Zullen we het even samen doen?' in plaats van het zonder waarschuwing over te nemen. Voorstellen iets samen te doen brengt vaak veel meer medewerking van je kind met zich mee dan voorstellen dat jij het even doet.
Daag een kind die het lastig vindt om nieuwe dingen te leren uit om dit wel te doen. Spreek je zelfvertrouwen in je kind uit en stel voor om nieuwe dingen samen te proberen.
En tot slot: veel complimentjes! Als je wilt dat je kind zelfstandig wordt, laat dan vooral merken dat dingen zelf doen gewenst gedrag is. Vertel je kind hoe trots je op hem bent dat hij al helemaal zelf de trap op kan lopen! Zeg dat je het zo fijn vindt dat je kind zelf naar de wc gaat.
En natuurlijk, zoals altijd, geniet van je kind die elke dag weer een beetje meer kan!

Wil je dat ik een keer bij jou thuis kom om je hierbij te coachen? Dat kan! Kijk op www.parentingcompany.nl!

maandag 3 maart 2014

Boekentips

Wil je weten hoe je het beste voorleest en leest met je jonge kind?
Ben je op zoek naar goede boeken over de opvoeding en ontwikkeling van je jonge kind?

Kijk dan eens op de nieuwe pagina 'boekentips'! Hier vind je eveneens (voorlees)boeken in bepaalde thema's. Een zeer waardevolle aanvulling bij de opvoeding!

Ga na het lezen vooral lekker aan de slag en ervaar hoe leuk (voor)lezen aan/met je jonge kind kan zijn! Geniet ervan!!

donderdag 9 januari 2014

Spelen

Kind (2,5) is druk in de weer met een aantal potloden. Ze sorteert de potloden per 'gezinnetje'. Ze legt ze op tafel en zegt bij elk potlood: "Papaaa" of "Mamaaaa" of Baby!"

Drie kinderen (allemaal rond de 3 jaar) zijn samen aan het spelen. Kind A (meisje) zegt over zichzelf en kind B (meisje): "Wij zijn de moeders!" en vervolgens tegen kind C (jongetje): "En jij bent de vader!" Waarop kind C zegt: "Nee, ik ben ook moeder!"

Spelen, een belangrijk thema in het leven van je jonge kind. Sterker nog, eigenlijk is alles spelen bij jonge kinderen. Door middel van spelen leren kinderen de wereld om zich heen ontdekken. Ook leren ze wat wel en niet mag en leren ze de sociale regels van het samen zijn door samen met andere kinderen te spelen.
In deze blogpost alles over spelen op jonge leeftijd en wat je als opvoeder wel en beter niet kunt doen om het leren tijdens het spelen te bevorderen.

Spelen, de basis
Spelen ligt aan de basis van de ontwikkeling van een jong kind. Door middel van spelen leert een kind ontzettend veel. Daarnaast wordt het spelen om verschillende andere doelen ingezet. Bijvoorbeeld om uit te proberen, zijn motoriek te verbeteren, een band op te bouwen met iemand anders en om te verwerken wat hij allemaal meemaakt.
Als kinderen heftige dingen meemaken, zien we vaak dat zij dit in hun spel verwerken. Dit kan zijn in interactief spel met leeftijdgenootjes, maar dit kan ook door middel van tekenen over de gebeurtenis of in je eentje de situatie naspelen met poppen. Meer hierover lees je hier.
Spelen speelt dus een hele belangrijke rol in het leven van je (jonge) kind. Als een kind niet kan spelen, heeft dat enorme invloed op zijn ontwikkeling. Sterker nog, hij zou zich nauwelijks ontwikkelen.
Een belangrijke therapievorm die wordt ingezet bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand is de spel-therapie. Door middel van spelen kunnen alle ontwikkelingsgebieden worden gestimuleerd. De therapievorm 'spelen op de mat' is speciaal bedoelt voor kinderen die uit zichzelf moeilijk tot spel komen. Het kind wordt een veilige omgeving aangeboden (de mat) waarop samen met hem wordt gespeeld. Uiteindelijk is het doel om een kind zelfstandig op de mat te laten spelen of zelfs om de veilige speelplek uit te breiden naar buiten de mat. Deze methode blijkt vaak zeer effectief en toont aan dat kinderen zich door middel van spel ontwikkelen. Wil je meer weten over deze vorm van spel-therapie? Kijk dan in deze pdfhttp://www.carantegroep.nl/media/15357/Workshop-spelen-op-de-mat-200511.pdf.

Basic spelen met baby's
Spelen met baby's, hoe doe je dat? En hebben ze er eigenlijk wel wat aan?
Op veel kinderdagverblijven wordt tegenwoordig een (nieuwe) manier van spelen met baby's aangeboden. Dit wordt vaak 'basic spelen' genoemd. Basic spelen houdt in dat je door middel van spel de ontwikkeling van je baby stimuleert. Het 'spel' wat aangeboden wordt, is misschien niet het 'spelen' waar je als eerste aan denkt. Alhoewel; waar denk je aan als je denkt aan spelen met baby's? Kiekeboe? Kriebelen? Gekke geluidjes maken? Bij spelen met baby's denken de meeste mensen aan versimpelde vormen van spel die je met oudere kinderen ook doet.
En eigenlijk is dit ook al basic spelen. De naam zegt het ook: de basis van het spelen. Echter, de methode 'basic spelen' heeft zich nog meer verdiept in de belevingswereld van een baby. Wat kan een baby wel? Wat kan een baby niet? Waar reageren baby's goed op? Wat negeren ze?
Hierbij komen twee dingen duidelijk naar voren: aandacht geven aan alle zintuigen én gebruik maken van verschillende soorten materiaal.
Voorbeelden van basic spelen met baby's kunnen heel simpel zijn en zien we in de praktijk ook al veel. Zo zijn er de populaire knisperboekjes voor baby's. Vaak met simpele plaatjes bestaande uit primaire kleuren (ogen) én uiteraard het knisperen van de bladzijden (horen en voelen). Bij basic spelen kan gebruik worden gemaakt van alle materiaal wat de zintuigen stimuleert. Hierbij wordt vaak de meeste aandacht besteed aan de tast, omdat baby's in de eerste maanden vooral door middel van voelen (met handen, maar meer nog met de mond) de wereld ontdekken.
Denk aan: doekjes van verschillend materiaal (laat het langs de handen, wangen en mond van je baby gaan), bellenblaas (blaas de bellen langs je baby, volgt hij ze met zijn ogen, wil hij ze pakken met zijn handen?), belletjes (laat ze klinken aan weerszijden van zijn hoofd, volgt hij het geluid? draait hij zijn hoofdje?), een ballon (laat hem voelen, laat de ballon geluid maken, beweeg de ballon heen en weer). En dit zijn enkel een paar voorbeelden.
Mocht je het lastig vinden om zo iets te verzinnen, maak dan een doos aan met verschillende materialen. Op het moment dat je wilt gaan spelen met je baby, pak je de doos en raak je vaak vanzelf geïnspireerd.
Bij baby's die al beginnen te rollen en te kruipen, kun je materiaal ook net buiten hun bereik leggen om dit te stimuleren.
Onthoudt hierbij wel altijd: elke ontwikkelfase heeft zijn gevoelige periode. Veel eerder deze ontwikkelfase stimuleren heeft geen zin en zal je baby enkel frustreren. Wil je het rollen stimuleren? Wacht dan eerst af tot je baby dit uit zichzelf doet. Nu weet je dat hij het kan en kan je spelenderwijs gaan stimuleren.

Spelen is ontdekken
Naast het stimuleren van de ontwikkeling door te beïnvloeden kan de ontwikkeling ook geremd worden als er te veel wordt ingegrepen tijdens het spel. Spelen is ontdekken en dus moet er ook wel wat te ontdekken zijn. Als een baby kan rollen, maar alles krijgt aangereikt als hij er niet gelijk bij kan, zal hij het rollen niet nodig achten en het dus minder doen.
Steven Pont, ontwikkelingspsycholoog, heb ik horen zeggen: grijp alleen in als er gevaar dreigt voor het kind of de omgeving. Hiermee bedoelt hij dat je kritisch kijkt naar jouw gedrag als opvoeder en je, als je wilt ingrijpen tijdens spel, jezelf afvraagt: gebeurt er nu iets gevaarlijks als ik niet ingrijp?
Regelmatig kom ik de situatie tegen dat ruzies tussen kinderen al worden gesmoord als er eigenlijk nog weinig aan de hand is. Opvoeders vullen in: 'Ja, maar straks slaat de één de ander.' Vaak kunnen kinderen dingen onderling heel goed oplossen zonder de hulp van een volwassene. Natuurlijk houdt je het in de gaten en als jij vindt dat het uit de hand loopt, kun je alsnog ingrijpen of voorzichtig beïnvloeden/ het goede voorbeeld geven.
Een mooi voorbeeld wat ik ooit hoorde was dat van een kind die een blokkentoren bouwt. Het kind bouwt hoger en hoger en de toren dreigt bijna om te vallen. Bij het volgende blokje zegt de leidster tegen het kind: 'Doe die er maar niet op, want dan valt hij om!'. En het kind gehoorzaamt. Het resultaat is een prachtige toren, dat wel. Maar, was het nodig om in te grijpen? Dreigde er gevaar?
Spelen is ontdekken en er moet dus ook wel wat te ontdekken zijn. Laat je kind lekker doorbouwen tot de toren omvalt. Daar leert je kind alleen maar van en bovendien vinden kinderen dit vaak juist heel erg leuk. Snel weer opnieuw beginnen en weer laten omvallen!
Als ouder trek je je eigen grens van wat jij wilt en jij acceptabel en ongevaarlijk vindt. Laatst was ik bij mensen thuis met een dochter van 4. Een erg zelfstandig meisje. Toen ze wat wilde drinken, liep ze zelf naar de keuken, pakte een groot glas (glas, geen plastic) en een vol pak drinken uit de keuken. Ze stapte op een krukje, maakte het pak open en schonk haar glas vol. Een behoorlijk ingewikkelde handeling voor een kind van 4, zeker met zo'n vol pak. Het glas zat precies tot het randje vol, het pak werd netjes terug gezet in de koelkast. Het enige moment waarop de ouders deze situatie hebben beïnvloed, was op het moment dat het meisje met het volle glas naar de tafel wilde lopen. Papa zei: "Je glas zit erg vol, neem eerst maar even een slokje voordat je hier naartoe komt." Meisje luisterde, kwam aan tafel met haar glas, missie geslaagd!
Tijdens dit hele proces had ik zo 10 momenten kunnen bedenken waarop ingegrepen had kunnen worden. Glas, veel te gevaarlijk. Zelf een vol pak pakken, straks valt het. Zelf het pak open maken, dat kan ze niet. Zelf inschenken, veel te moeilijk. En je glas meenemen naar de tafel, ojee, het valt. Ken je deze gedachten? De ouders uit het voorbeeld hadden duidelijk alle vertrouwen in hun dochter. En terecht, zo bleek achteraf. Maar, dit was er natuurlijk een jaar geleden nog niet. Waarschijnlijk is dit hele ritueel echt wel eens fout gegaan. Glas gevallen, pak gevallen, kind gevallen... Maar, is dat echt zo gevaarlijk? De ouders van het meisje zullen het altijd hebben geobserveerd en zijn in de buurt gebleven. Zo kan je uiteraard wel snel ingrijpen als het glas kapot valt op de grond. En hier leert je kind alleen maar van. De volgende keer moet het een beetje anders.
Spelen is het leren begrijpen van de wereld. Spelen is leren van je fouten. Spelen is ontdekken en dus moet er ook wel wat te ontdekken zijn!

De ontwikkeling van spel
Het spelen van kinderen maakt, evenals de rest van de ontwikkeling, verschillende fasen door. Grofweg op te delen in drie fasen: het alleen spelen, het parallel spelen en het samen spelen. Binnen deze fasen zitten weer verschillende ontwikkelmomenten en verschillende vormen van spel. Ook hier geldt, zoals bij alle ontwikkelgebieden, elk kind ontwikkelt zich anders en op zijn eigen tijd.
Alleen spel
Dit zien we al heel vroeg bij baby's. In het begin ontdekken ze vooral zichzelf en later ook de wereld om zich heen. De baby speelt alleen en nog niet met leeftijdsgenootjes.
Parallel spel
Vaak ontstaat parallel spel een beetje 'per ongeluk'. Twee kinderen zitten naast elkaar te spelen, maar zijn beiden bezig met hun eigen spel. Ook deze kinderen spelen nog niet samen. Wel kunnen ze elkaar observeren en elkaar nadoen.
Samen spel
Samen spel tussen kinderen kent meerdere stappen. Eerst leggen kinderen wel contact met elkaar tijdens het spelen, maar wordt er nog weinig overlegt. Het ene kind mengt zich vaak in het spel van het andere kind.
Daarna ontstaat spel waarbij wordt overlegd. Kinderen gaan elkaar vragen om samen te spelen en overleggen ook over de inhoudt van het spel, over de regels en over wat ze wel en niet willen van de ander. Hieruit voort ontstaat fantasiespel. Een spelvorm waarbij kinderen een fantasie uit spelen. Het bekendste voorbeeld hiervan is waarschijnlijk 'vadertje en moedertje'. Een spelvorm waarbij de fantasie een grote rol speelt én daarnaast ook veel overlegd moet worden.
Daarna doorloopt de spelontwikkeling nog meer fasen, maar dit zijn de belangrijkste in de eerste vier jaar.

Spelen, sociale interactie
De fase van spel, het samen spelen, is een spelvorm waarbij kinderen ontzettend veel leren. Het spelen met elkaar is één van de belangrijkste manieren om de regels van sociale interactie te ontdekken en begrijpen.
We zien dit ook heel duidelijk in de natuur. Jonge katjes spelen met elkaar en leren zo wat pijn doet en wat niet. Ook leren zo door middel van spel hoe ze moeten jagen op hun prooi.
Spel is dus een hele natuurlijke manier van leren die we overal terug zien. Door met elkaar te spelen leren kinderen wat een ander wel of niet leuk vindt. Ook leren ze wat ze zelf wel en niet leuk vinden. Daarnaast leren ze voor zichzelf op te komen en ze leren omgaan met hun emoties. Kind A doet iets wat kind B niet leuk vindt. Kind B wordt boos en schreeuwt tegen kind A. Kind A verandert niets in zijn gedrag. Kind B wordt een beetje meer boos en slaat kind A. Kind A begint te huilen.
Beiden kinderen hebben nu ontzettend veel geleerd. Kind A weet wat kind B niet leuk vindt. Kind B weet dat als hij iets niet leuk vindt, hij dan boos wordt. Kind A weet dat als hij kind B negeert, kind B nog bozer wordt en gaat slaan. Kind B leert dat hij gaat slaan als hij heel boos is. Kind A heeft geleerd dat slaan pijn doet. Kind B weet nu dat kind A gaat huilen als hij hem slaat.
Dit betekent natuurlijk niet dat dit nu nooit meer voor zal komen. Dit soort situaties moeten een paar keer (en soms zelfs heel veel keer) voorkomen voordat een kind er van leert en het in de toekomst anders doet. Bovendien moet er een alternatief zijn, anders blijven beide kinderen bij hun oude methode, ze weten immers niet beter.
Uiteindelijk leren kinderen van elkaar wat de sociale regels zijn. Slaan is blijkbaar iets wat een ander niet leuk vindt. Wellicht slaat het andere kind terug. Is dat iets wat beide kinderen willen? Over het algemeen niet en dit zullen ze uitspreken naar elkaar. Zo leren ze: slaan is iets wat we allebei niet leuk vinden. Langzaamaan onderstaan er zo regels in het spel van kinderen. Uiteraard wordt hierin regelmatig gestuurd door volwassenen en dit is prima. Laat kinderen in hun veilige wereld van spel zelf ontdekken en plaats ondertussen de regels die wij in onze volwassen maatschappij hebben in het spel. Slaan is niet alleen niet leuk, slaan is iets wat niet mag. Geef een alternatief en laat kinderen weer spelen.
Naast het ontdekken van de sociale regels, speelt spel ook een grote rol in het begrijpen van elkaar en de wereld. Kinderen kijken naar volwassenen om dingen te begrijpen, maar evengoed observeren kinderen elkaar. Hoe lossen zij die ruzie op? Hoe maakt hij die puzzel? Waarom gaat hij nu huilen als zij hem slaat? Wat zou er gebeuren als ik die bal naar hem rol?
Voortdurend kijken kinderen naar elkaar om te begrijpen waarom de dingen gaan zoals ze gaan. Ze observeren, proberen en leren. Gaat dat kind ook huilen als ik hem sla? Kan ik die puzzel ook maken als hij het kan? Als ik naar de juf loop, krijg ik dan ook een knuffel? Kinderen leren begrijpen dat het ene gedrag het andere tot gevolg heeft. Kinderen leren dat alle kinderen anders zijn, maar dat bepaalde dingen voor iedereen gelden. Zo leren ze stukje bij beetje steeds meer begrijpen van de wereld om zich heen.
Tot slot is een hele belangrijke rol van spel, samenspel, het creëren van een band. Mensen zijn van nature sociale wezens en dat zien we terug bij kinderen. Kinderen wíllen graag samen spelen en zijn niet graag alleen. Kinderen wíllen graag vriendjes en kunnen ontzettend blij zijn als ze hun vriendjes weer zien. Als kinderen vaak samen spelen, zeggen ze in feite tegen elkaar: 'Wij vinden elkaar lief.' Bovendien duidt veel samen spelen vaak op een bepaalde 'klik' tussen twee kinderen. Er zijn gemeenschappelijk interesses, de karakters kunnen goed samen, ze begrijpen elkaar, ze kunnen elkaar helpen, enz. Er is altijd iets wat ervoor zorgt dat bepaalde kinderen graag met elkaar samen spelen. Na een tijdje is er steeds minder voorzichtigheid nodig om spel te initiëren bij elkaar. Kinderen weten als ze naar het kinderdagverblijf gaan: 'Als die er is, is het leuk.' Er is een band ontstaan. Kinderen leren al heel jong dat deze vriendschappen belangrijk zijn. Het ene kind komt voor het ander op, als het ene kind iets niet durft, durft het andere kind het wel en als het ene kind huilt, komt het andere kind met een knuffel.
Vriendschappen geven een kind een fijn gevoel, het geeft ze troost en vertrouwen. Kinderen leren ook dat ze moeten investeren om deze band te creëren en te behouden. Gelukkig gaat dat bij kinderen vaak nog heel erg vanzelf. Zeker als ze elkaar regelmatig zien op het kinderdagverblijf.

Spelen is de voornaamste manier van leren, ontdekken en begrijpen van een jong kind. Stimuleer en beïnvloed, maar laat je kind ook vooral lekker zelf spelen en ontdekken! En als je zin hebt, speel je gezellig mee!

Wil je dat ik een keer bij jou thuis kom om je hierbij te coachen? Dat kan! Kijk op www.parentingcompany.nl!

maandag 9 december 2013

Zindelijkheid

Kind (3) belt met de nep-telefoon: "Ja.... ja.... ok! Daaaaaag!"
Ik: "Wie was dat?"
Kind: "Dat was mama."
Ik: "En wat zei mama?"
Kind: "Dat ik op het potje moet plassen!"

Zindelijkheid en zindelijkheidstraining. Er zijn honderden boeken over geschreven en iedereen lijkt er zo zijn eigen visie op na te houden. Voor ouders en opvoeders zorgt dit nogal eens voor onzekerheid. Doen we het zo wel goed? Moeten we überhaupt actief bezig gaan met zindelijkheidstraining of niet? En zo ja, wanneer dan?
Ook bij dit onderwerp speelt de maatschappij waarin we leven een hele grote rol. Als kinderen 4 jaar zijn, wordt van ze verwacht dat ze een grote mate van zelfstandigheid hebben, omdat ze dan naar school gaan. Een belangrijke stap in deze zelfstandigheid is het zindelijk worden. Aan de ene kant geeft dit veel ouders druk (het moet ook echt lukken voordat het kind 4 is). Aan de andere kant, is het ook een handige richtlijn.
Maar, hoe kun je ervoor zorgen dat je kind ook echt zindelijk is als hij naar school gaat?

Zindelijkheidstraining, wel of niet?
Zindelijkheidstraining vind ik eigenlijk maar een raar woord. Het klinkt altijd een beetje alsof je te maken hebt met een dier. Het woord 'training' heeft iets onvriendelijks, alsof het een soort 'drill-cursus' is.
Er zijn een hoop deskundigen die adviseren überhaupt niet actief bezig te gaan met de zindelijkheid van je kind. Het komt vanzelf, is hun mening. Kinderen geven het vanzelf aan als ze er klaar voor zijn om op de wc te gaan plassen. Dit proberen te stimuleren zou volgens hen enkel averechts werken.
Deels deel ik deze opvatting. Kinderen worden ook zindelijk als wij dit niet bewust stimuleren. Wel is een onbewust stimulerende omgeving dan wel van belang. Er moet wel de mogelijkheid zijn voor een kind om op de wc of een potje te kunnen plassen én een kind moet wel zien in zijn omgeving dat dit ook gebeurt. Jij, als ouder/opvoeder, bent het voorbeeld.
Daarnaast gaan kinderen zich vanzelf steeds meer storen aan de vieze luier wat ervoor zorgt dat ze een alternatief willen. Ze moeten dan uiteraard wel weten wat dit alternatief is en hoe ze die moeten gebruiken. Maar, nogmaals, onbewust tot voorbeeld zijn, is dan genoeg.
Dat zindelijkheidstraining ook averechts kan werken, heb ik aan den lijve ondervonden. Een meisje op mijn groep had grote moeite met het zindelijk worden. Of eigenlijk, ze had grote wc-angst. Hoe deze angst was ontstaan, is onduidelijk. Het meisje wilde niet op de wc. Hoe meer we stimuleerden, hoe meer ze afhield. De meest voorzichtige pogingen, brachten ons steeds verder van het beoogde doel af. Vaak zeiden we: "Als je straks naar school gaat, kun je ook geen luier meer om." In de hoop dat dit 'dreigement' voldoende stimulatie gaf. Maar, zei de kleine slimme meid dan terug: "Dan word ik wel zindelijk als ik naar school ga." We merkten dat ze haar plas en poep prima kon ophouden, maar de luier mocht absoluut niet af. Op de wc zitten, wilde ze uiteindelijk wel, maar daar haar behoefte doen, deed ze niet.
Dit is overigens vaak het 'probleem' bij kinderen die maar niet zindelijk willen worden. Vaak is het zo dat ze hun ontlasting wel op kunnen houden, maar dat ze die niet willen of durven loslaten op de wc. Als je als ouder dan toch de luier aflaat, plast en poept je kind in zijn broek op het moment dat de blaas of darmen echt te vol zitten. Het leren ophouden van de ontlasting is iets wat vaak vanzelf gebeurt bij jonge kinderen. Het loslaten op het 'juiste' moment, is de lastige stap.
Geeft dit aan dat we maar beter helemaal niet bezig kunnen zijn met zindelijkheidstraining? Wellicht zou je in een wereld zonder tijdsdruk prima af kunnen zonder bewuste zindelijkheidstraining. Helaas leven wij in een maatschappij mét tijdsdruk. Er wordt van ons verwacht dat ons kind zindelijk is als hij naar school gaat. Dit betekent dat enige vorm van stimulatie vaak wel nodig is om dit voor elkaar te krijgen. Maar, juist er té bewust mee bezig zijn, kan averechts werken. Hieronder dus voorzichtige stapjes om bezig te gaan met 'zindelijkheidstraining'.
Met het meisje uit het voorbeeld kwam het overigens helemaal goed. We hebben de luier omgelaten en de zindelijkheidstraining gelaten voor wat hij was. Twee weken voordat ze naar school ging, kwam ze met haar luier in de hand naar beneden. "Mama, ik heb op de wc geplast!" En de luier hoefde niet meer om...

Zindelijkheidstraining, wanneer?
Als we dan toch moeten geloven aan zindelijkheidstraining, wanneer kunnen we hier dan het beste mee beginnen?
Allereerst is het goed om te weten welke stappen je kind van nature doorloopt als het gaat om het zindelijk worden. De eerste stap, merken we al heel snel. Baby's huilen als ze een vieze luier hebben. Hiermee geven ze aan dat ze dit een onprettig gevoel vinden. Ze willen een schone luier. Dit 'aangeven' dat de luier vies is, blijven kinderen doen. In eerste instantie door te huilen en later door het te zeggen. Wat echter wel belangrijk is, is de stap die hiertussen zit. Er is vaak een lange periode waarin je kind niet meer huilt om de vieze luier, maar ook nog niet kan vertellen dat hij een vieze luier heeft. Dit is voor veel kinderen een periode waarin ze ook niet meer aan lijken te geven dat ze hebben gepoept en graag verschoont willen worden. Kinderen doen dit echter wel. Maar, vaak op een andere manier dan wij wellicht verwachten. Als wij geen gehoor geven aan deze boodschap, zal je kind vanzelf afleren om de boodschap over te brengen, het is namelijk niet effectief. Dit is overigens helemaal zo erg niet, zodra kinderen leren praten, gaan ze vaak vanzelf weer aangeven dat ze hebben gepoept.
Toch kan het wel helpen om ook in de dreumesfase (1,5-2,5 jaar) gehoor te geven aan de boodschap die je kind overbrengt met betrekking tot de vieze luier. Op welke manier je kind aangeeft dat hij heeft gepoept of geplast, is bij elk kind anders. Soms zijn het hele subtiele manieren. Je kind kan naar zijn luier wijzen of de luier proberen af te doen. Soms is een bepaald gebaar of een bepaalde klank synoniem voor 'Ik heb een vieze luier'. Maar, je kind kan ook onbewust aan jou proberen over te brengen dat hij een vieze luier heeft. Zo wil hij misschien niet meer zitten (op de vieze luier) of wordt hij heel onrustig. Misschien loopt hij zelfs wel uit zichzelf naar de verschoontafel. Kijk of je deze signalen kunt oppikken en er gehoor aan geven.
Na aangeven dat je hebt gepoept, is de volgende stap in het zindelijk worden, het aangeven vóórdat je hebt gepoept. En eigenlijk zit hier nog wel een stapje tussen. Voordat je kind zelf gaat aangeven dat hij moet poepen, kun je dit vaak wel aan hem zien. Kinderen gaan van terloops tussen het spelen door poepen en plassen in de luier, naar bewust poepen en plassen in de luier. Je kunt dit merken aan je kind, omdat hij ineens even stil gaat zitten in een hoekje. Soms zeggen kinderen dit dan ook: "Ik ben aan het plassen/poepen." Niet veel later zul je merken dat kinderen de aandrang om te gaan plassen en poepen goed kunnen voelen en dat jou ook gaan aangeven nog voordat ze hun behoefte hebben gedaan.
Als je kind aangeeft dat het moet plassen of poepen, is dit natuurlijk een uitgelezen moment om voor te stellen dit niet in de luier, maar op de wc te doen. Bovendien is dit ook het moment dat kinderen bewust kunnen gaan leren hun ontlasting op te houden totdat ze naar de wc gaan. En dus een goed moment om actief te gaan leren plassen en poepen op de wc. Hoe precies, lees je hieronder.

Zindelijkheidstraining, hoe?
Zoals hierboven beschreven doorloopt het zindelijk worden bij jonge kinderen een natuurlijk proces. Net als het leren lopen, kent het zindelijk worden een gevoelige fase. Hiermee bedoel ik, dat het weinig zin heeft om je kind al voor die gevoelige periode te 'dwingen' op de wc te plassen en te poepen. Kinderen moeten immers eerst leren controle te krijgen over hun blaas en sluitspier en die controle dwing je niet af. Dat betekent echter niet dat je voor deze periode niks kunt doen.
Een groot onderdeel van het zindelijk worden, is het vertrouwd raken met de wc. Met dit proces kun je al heel vroeg beginnen. Zodra je kind in de dreumesfase beland (vanaf een jaar of 1,5) kun je jezelf en je kind aanwennen dat je in de badkamer (waar een wc is) je kind verschoont. Als je handig bent het staand verschonen van je kind (je kind verschonen terwijl hij staat), kun je jezelf dit ook gaan aanwennen. Tevens fijn voor je rug als je op een klein krukje gaat zitten (minder tillen op en van de commode).
Door staand te verschonen, wordt de stap naar gelijk maar even op de wc gaan zitten een stuk kleiner. Overigens zou ik altijd proberen te kiezen voor een wc-verkleiner en niet voor een potje. Het leukste van naar de wc gaan, is namelijk het doortrekken. Mocht je toch kiezen voor een potje, maak dan het leeggooien van het potje in de wc én daarna het doortrekken standaard onderdeel van het ritueel. Een ander voordeel van de wc, is dat dit gelijk de juiste plek is. De overgang van potje naar wc kan voor sommige kinderen soms angstig zijn en zorgen voor een terugval in de zindelijkheid. Onnodig als je kind al gelijk om de wc leert plassen en poepen.
Terug naar de dreumes. Je dreumes vertrouwd maken met de wc houdt puur in dat je af en toe aan hem vraagt of hij even op de wc wil zitten. Maak hier één of meerdere vasten momenten van op de dag en koppel ze aan de al bestaande verschoonmomenten. Of er nu wel of niet iets gebeurt, is totaal niet van belang. En als je dreumes niet wil, ook prima! Sterker nog, als je veel weerstand merkt, wacht dan gewoon even een tijdje voor je het weer probeert.
Als je kind af en toe op de wc zit, is de kans groot dat er op een bepaald moment 'per ongeluk' ook daadwerkelijk ontlasting komt op zo'n moment. Als dat gebeurt, schrikt je kind wellicht. Laat zelf merken dat dit doodgewoon is en prijs je kind aan. "Wat goed van jou! Een echte plas op de wc! Knap hoor!" Zorg dat het iets is, waar je kind trots op kan zijn. Werk eventueel met een beloningssysteem.
Zo krijgt je kind door dat het de bedoeling is van de wc dat daar zijn plas en poep in verdwijnt. Actief stimuleren dat je kind daar ook moet plassen en poepen heeft geen zin. Zoals al eerder beschreven, zal je kind eerst moeten leren om controle te krijgen over zijn blaas en sluitspier. Bovendien kan actief stimuleren ervoor zorgen dat je je kind aanleert onnodig hard te persen.
Als je na een tijdje merkt dat je kind vaker op de wc plast en/of poept en de luier regelmatig droog is, kun je beginnen met de luier eens even een uurtje af te laten. Leg dit aan je kind uit, zodat hij zich bewust is van het feit dat hij geen luier om heeft. Gaat het goed? Breidt dan de tijd dat de luier af is overdag wat uit.
Natuurlijk zullen er in het begin (en wellicht later ook nog) ongelukjes gebeuren. Word dan vooral niet boos op je kind! Dit kan gebeuren en geeft helemaal niks. Trek schone kleren aan en laat je kind duidelijk merken dat hij hier niks aan kan doen. Ook als de controle over de blaas er is, kan er nog steeds wel eens een ongelukje gebeuren. Als je kind erg afgeleid is, druk aan het spelen of net aan het eten, vergeet hij soms gewoon dat hij eigenlijk moest plassen. Geen probleem en al helemaal geen reden om gelijk de luier weer om te doen.
Mochten er echter veel ongelukjes gebeuren als de luier even af is, is dit een teken dat je kind er nog niet klaar voor is. Probeer het dan na een tijdje nog eens. Overigens is het stimuleren van de zindelijkheid door de vieze luier om te laten niet effectief! En bovendien erg slecht voor de huid van je kind.
Bij zindelijkheidstraining is het de kunst om er niet te veel nadruk op te leggen, maar daarnaast wel goed in de gaten te houden of alles goed gaat met je kind. Zo kan wc-angst er voor zorgen dat kinderen maar niet zindelijk lijken te worden (wat ze dan eigenlijk vaak wel zijn). Houd het luchtig, maar probeer er wel achter te komen waar een eventuele wc-angst vandaan komt. Gelukkig zijn er hele effectieve methoden om van wc-angst af te komen.
Wil je dat ik daar bij help? Kijk dan op opvoedadvies aan huis.

Zindelijkheid, de feitjes!
Heel bewust bewaar ik de feitjes en gemiddelden voor het laatst. Elk kind is anders, en dus is er geen vroeg of laat zindelijk zijn.
Wel zijn er een aantal dingen die voor bijna alle kinderen opgaan:
- Veel kinderen leren eerst hun plas ophouden en later pas hun poep.
- De meeste kinderen worden eerst overdag zindelijk en later pas 's nachts. Hier kan zeker wel een jaar tussen zitten.
- Vrijwel alle jonge kinderen hebben nog af en toe een ongelukje als ze 'zindelijk' zijn.
- Als kinderen naar de basisschool gaan, kan er een terugval zijn in de zindelijkheid.
- Veel kinderen worden tussen hun 2e en 3e jaar overdag zindelijk.
- Maar, ruim een kwart van de kinderen wordt pas na het 4e jaar overdag zindelijk!
- Als je kind 6 jaar is, is de kans groot dat hij ook 's nachts zindelijk wordt.
Nog een laatste tip:
Zoals bij alle opvoedthema's is het ook hier weer van belang dat alle opvoeders op één lijn zitten. Overleg met de oppas, leidster of gastouder hoe de zindelijkheidstraining wordt aangepakt. Houd het luchtig, niks moet. Het is normaal dat kinderen vaak eerst thuis zindelijk zijn en later pas bij de secundaire opvoeder.

Wil je dat ik een keer bij jou thuis kom om je hierbij te coachen? Dat kan! Kijk op www.parentingcompany.nl!